GESCHIEDENIS VAN HET KARATE

Over de geschiedenis van het Karate bestaan heel wat verhalen en mythes. Dat is logisch, want het verhaal kan niet helemaal gedocumenteerd worden en mensen houden niet van losse eindjes. Doorheen de jaren hebben mensen daarom geprobeerd die losse eindjes aan elkaar te knopen met theorieën, verzinsels en halve waarheden. Daarnaast is het verhaal van het karate niet enkel het verhaal van een sport, maar ook dat van verschillende personen, landen en culturen. Ook zij willen in een zo goed mogelijk daglicht geplaats worden en zo worden verhalen opgesmukt en aangedikt. De geschiedenis van het karate moet je daarom met een kritisch oog lezen.

 

Het verhaal zoals wij hieronder beschrijven, is dan ook een 'consensus'. We vertellen de versie die door de meeste mensen als juist aanvaard wordt en die door zo veel mogelijk bronnen gestaafd kan worden.

Daruma wordt tijdens zijn reis een felle aanhanger en verdediger van het zenboeddhisme. Wanneer hij in Guangzhou aankomt begint hij deze leer dan ook te verspreiden onder de plaatselijke bevolking. Door zijn charismatische uitstraling en uitdagende manier van lesgeven, wordt hij snel bekend en komen mensen uit de hele streek naar hem luisteren. Verhalen over Daruma verspreiden zich snel door Guangzhou en zelfs de Chinese Keizer wil Daruma ontmoeten. Hij wordt daarom ontboden aan het hof, maar de herrineringen aan zijn eigen jeugd leiden er toe dat Daruma zich erg bot en onvriendelijk opstelt. Zijn onbeleefde gedrag choffeert de keizer en Daruma wordt bijgevolg verbannen. De prins die monnik werd verdwijnt als een dief in de nacht en trekt verder naar het Noorden.

 

Na vele jaren komt er echter een einde aan Darumas reizen. De reizende monnik krijgt onderdak in het klooster van Shao Lin Si en beslist enkele weken daar te blijven. Daruma en de Shao Lin-monikken weten het goed met elkaar te vinden en Daruma besluit in het klooster te blijven. Tijdens zijn verblijf in Shao Lin Si merkt Daruma echter dat de monikken erg zwak en kwetsbaar zijn. Ze zijn dan wel wijs en verstandig, omdat ze hun hele leven enkel aan studie wijdden, zijn ze lichamelijk erg fragiel. Daruma beslist hier iets aan te doen en begint de monikken oefeningen aan te leren die hij kent uit zijn jeugd. Hij onderwerpt de geestelijken aan dezelfde training die hij als jonge prins in India kreeg en de monikken worden zienderogen sterker en gezonder. In de eeuwen die volgen vinden de Shao Lin zichzelf opnieuw uit. De krijgskunsten die Daruma hen aanleerden blijven ze verbeteren en dit maakt van de Shao Lin een bijzondere kloosterorde.

 

Daruma beslist na vele jaren dat hij toe is aan een nieuwe uitdaging en trekt zich uit het klooster terug. Hij gaat dieper in de bergen leven, waar hij in een grot gaat wonen. Tot zijn dood, negen jaar later, leeft Daruma in die grot en vult hij zijn dagen met mediteren voor een rotsmuur.

De Shao Lin

 

Na de dood van Daruma houden de Shao Lin zijn werk in ere. Ze blijven zichzelf bekwamen in de krijgskunsten en de filosofische studies en ontwikkelen zo een eigen vechtstijl. De monikken bewijzen meermaals het nut daarvan wanneer bandieten het klooster zonder succes proberen te plunderen. De monikken voelen zich sterk en breiden hun activiteiten steeds verder uit. Ze worden een soort 'religieuze militie' die de dorpen rond hun kloosters beschermen, bandieten bestrijden en opstanden neerslaan uit trouw aan de keizer.

 

Iedereen besefte dat er met de orde niet meer te spotten valt en tijdens de regeerperiode van de Tang-dynastie kennen de Shao Lin een gouden eeuw. Aanlmeiding hiervoor is de overval op aan handelskaravaan vlakbij het Shao Lin-klooster. De Shao Lin rukten massaal uit om de handelaars te helpen, maar toen ze op de plek van het onheil aankwamen, ontdekten ze dat de handelskaravaan een koninklijk transport was. De Chinese kroonprins zélf was een van de verdedigers van de karavaan, maar hij bevindt zich in een netelige situatie. De Shao Lin schietten hem meteen te hulp, redden zijn leven en worden daar rijkelijk voor beloond. De Shao Lin kregen gronden en goud van de opeenvolgende Tang-keizers en konden zo hun activiteiten nog uitbreiden. Nieuwe kloosters werden gebouwd en de orde groeide enorm.

In 1644 keert het tij echter voor de Shao Lin. De Mantsjoes uit Mantsjoerije beginnen aan een militaire campagne en veroveren grote delen van het Chinese Keizerrijk. De Shao Lin houden zich lange tijd afzijdig, maar wanneer Peking wordt bezet, komen ze toch in opstand. In de streken rondom hun kloosters bevechten zij de Mantsjoes en wanneer deze in 1647 heel China hebben veroverd, trekken de Mantsjoe-legers op tegen de Shao Lin. De Shao Lin zijn sterk in de minderheid en worden verpletterend verslagen. Hun kloosters worden verwoest en een echte heksenjacht wordt ontketend om de monikken uit te roeien. Diegenen die de strijd overleefden ontvluchtte China, vaak richting Okinawa of Japan, of doken onder... Rond 1800 zijn de Shao Lin weer een grotere orde en beginnen zij aan het herbouwen van hun kloosters, die tot op de dag van vandaag wereldberoemd zijn als centra voor Kungfu.

De Thai

 

De Thai zijn een volk dat oorspronkelijk in China leefde. Tussen de 5e en de 8e eeuw verlaten zij China echter massaal, om aan vervolging te ontsnappen en in Siam (het huidige Thailand) een eigen rijk te stichten. De Thai namen verschillende Chinese tradities met zich mee, maar de voornaamste in ons verhaal zijn de Chinese krijgskunsten.

 

De Thai ontwikkelden deze in Siam verder op hun eigen, unieke manier. Ze ontwikkelen verschillende vechtstijlen die we vandaag onder de noemer 'Muay Boran' verzamelen. Het Muay Boran lijkt sterk op het Chinese Kungfu, maar heeft een groot verschil; de Thai verkiezen het gebruik van een vuist boven dat van een open hand. Dit zien we later ook terugkomen bij de voorlopers van het Karate.

De Samoerai

 

De Samoerai zoals wij ze kennen ontwikkelden zich aan het einde van de Heianperiode. Deze periode was de laatste waarin de macht in Japan volledig bij de keizer lag. Vanaf 866 begint de Fujiwara-clan, een machtige adellijke familie, die macht naar zich toe te trekken. Zij werken decentralisatie in de hand en zorgen zo dat de grote clans meer macht krijgen.

 

Om deze macht te beschermen rekruteerden de grote clans krijgers uit de lagere adel. De krijgers werden ingezet als bewakers en lijfwachten. Omdat zij zich in dienst stelden van andere clans of personen, werden zij Samoerai genoemd, wat zoveel wil zeggen als ‘hij die dient’. Ook met de term Bushi werd naar hen verwezen.

 

Het in dienst treden bij een grote famillie leverde ook deze lagere adel een bevoorrechte positie op. De mannen die van vechten hun beroep hadden gemaakt konden hierdoor uitgroeien tot een belangrijke klasse die ook aan het hof zijn intrede deed. De samoerai hadden verschillende stijlen van vechten; het ongewapende bujitsu - dat later zou uitgroeien tot het jiu-jitsu en alle afgeleide stijlen - en het gewapende vechten met zwaard, dolk, speer, boog, etc.

 

Verschillende burgeroorlogen kosten vele levens in Japan. Moegestreden of deserterende samoerai zoeken daarom andere oorden op. Een klein eilandrijk ten zuiden van Japan heeft bij vele van hen de voorkeur... Zo verhuizen vele samoerai doorheen de jaren naar Okinawa.

De rol van Okinawa

 

Ten zuiden van de grote Japanse eilanden ligt Okinawa. Nu is het eilandenrijk onderdeel van Japan, maar vroeger vormde het een eigen koninkrijk dat als Ryukyu bekend stond. Ryukyu heeft een heel bijzondere rol gespeeld in de geschiedenis van Azië.

 

Door zijn ligging was het koninkrijk een knooppunt van waaruit verschillende Aziatische rijken handel met elkaar konden drijven. De Thai uit Siam, de Chinezen, de Japanners, de Birmezen, de Koreanen, de Filipijnen van Luzon en zelfs de Mongolen, allemaal dreven ze handel met Okinawa en via Okinawa met elkaar.

 

Het koninkrijk Ryukyu was daardoor een smeltkroes van culturen. Reizigers vanuit heel Azië bezochten het eiland en lieten daar stukjes van hun eigen cultuur achter, stukjes die door de ijverige Okinawanen werden opgepikt en vervlochten met hun eigen cultuur.

In de cultuur van de Okinawanen was krijgskunst een belangrijk onderdeel. Het rijk kende een lange geschiedenis van verdeeldheid en had heel wat oorlogen gezien. Vanaf de eenmaking van de verschillende rijken op het eiland, werden deze krijgskunsten echter als een band tussen de verschillende groepen gebruikt. De Okinawanen waren trots op hun ‘vechtcultuur’ en ontwikkelde deze steeds verder. Een enorme hulp voor de Okinawanen waren de andere volkeren waarmee zij handel dreven. Ze namen elementen uit het Kungfu, het Wushu, het Muay Boran, het Bujitsu en heel wat andere krijgskunsten over en ontwikkelden zo hun eigen krijgskunsten. Dit gebeurde echter vooral achter gesloten deuren en verschillende stijlen werden enkel van vader op zoon doorgegeven. Het idee van scholen of dojos bestond nog niet en zou voor de Okinawanen altijd een relatief vreemd idee blijven.

 

In Kumi, een district in de stad Naha, komen vanaf het einde van de 14e eeuw heel wat Chinese inwijkelingen wonen. China en Okinawa onderhouden een hechte band en vele handelaars, filosofen, politieke ambtenaren en hun lijfwachten vestigen zich daarom in het Kumi-district. De Okinawaanse Chinezen hebben verschillende dingen met elkaar gemeen, maar vooral hun afkomst verbindt hen. Ze komen zo goed als allemaal uit de Fijuan-regio en bestudeerden daar kungfu. Om deze traditie levendig te houden, verzamelen de Chinese inwijkelingen regelmatig in Matsushima Koen, een gigantisch park vlakbij Kumi, om samen te trainen, technieken uit te wisselen en nieuwe ideeën te bespreken. De plaatselijke bevolking houdt dit goed in de gaten en begint langzaamaan mee te trainen met de chinezen.

 

In 1477 stijgt in Okinawa de spanning en de koning vreest een opstand. Hij weet hoe de vechtcultuur van zijn volk is, en beslist daarom om het dragen van wapens te verbieden – behalve voor de edelen die hem steunen en hun krijgers. Soldaten van de koning namen overal in het rijk wapens in beslag en de adel verhuisde massaal richting de stad Shuri, waar het koninklijk paleis gevestigd was. Door zich daar te verenigen en door zichzelf te bewapenen probeerden zij veiliger te zijn. Met de adel verzameld nabij Shuri, waren de andere steden van Okinawa echter vrijer om te doen en te laten wat ze wilden. De Okinawanen vonden een hele reeks nieuwe wapens uit, die ze vermomden als landbouwwerktuigen. Daarmee ontwikkelden ze de krijgskunst ‘Kobudo’, die onderdeel werd van al hun ongewapende vechtstijlen. De opstand waar de koning zo bang van was, is er echter nooit gekomen en na een hele poos wordt het wapenverbod terug opgeheven.

 

In 1609 wordt Ryukyu aangevallen door de Japan. De Satsuma-clan krijgt de opdracht het eilandrijk in te lijven en begint een felle strijd tegen de Okinawanen. Deze vechten dapper terug, maar zijn sterk in de minderheid en worden na jaren van strijd verslagen. Ryukyu is vanaf dat punt een vazalstaat van Japan. Het eiland krijgt echter een unieke status en blijft semi-autonoom. Zo mag het rijk zijn eigen koningshuis houden, maar is het wel schatplichtig aan Japan. Japanse diplomaten op Ryukyu maken zich echter ernstig zorgen over de krijgskunsten van de Okinawanen en laten daarom een nieuw wapenverbod afkondigen. Op het dragen van wapens door gewone burgers komen zware straffen te staan en dus laten de Okinawanen dit achterwegen. Ze hebben dit al eens meegemaakt en kunnen terugvallen op een hele reeks vermomde wapens waar de japanners niets van afweten. Hoewel de japanse bezetters hun uiterste best doen om de Okinawaanse krijgskunsten te onderdrukken, geeft de bezetting een enorme impuls aan de krijgskunsten op Ryukyu. De verschillende vechtstijlen gaan ‘ondergronds’ en er wordt enkel getraind in zeer kleine groepjes op geheime locaties. Technieken worden verborgen in kata’s, die op het eerste zicht meer op conditieoefeningen dan op vechten lijken. Het wordt een nationale sport van de Okinawanen om krijgskunsten te beoefenen zonder dat de japanners er iets van weten. De voorvaders van het moderne karate, het Todi (Chinese hand) en het Okinawate bloeien volop.

 

Langzaamaan vermindert Japan haar grip op Okinawa. Het rijk blijft deel van Japan, maar krijgt meer en meer de kans om zichzelf te zijn. In 1891 beslissen de japanners dat ook Okinawanen deel mogen uitmaken van het Japanse leger. Tijdens de rekrutering voor het leger valt de enorm goede fysiek van de kleine Okinawanen op. Het Japanse leger gaat op onderzoek uit en stelt zich de vraag of de vechtstijlen van de Okinawanen een aanvulling kan zijn voor hun trainingsmethoden. Meester Anko Itosu, die in het dagelijks leven leraar is, weet de Japanners te overtuigen een experiment hierover te starten en in 1901 wordt het Todi op de openbare scholen van Okinawa geïntroduceerd als deel van de lichamelijke opvoeding. In Japan keek men aandachtig toe om te kijken hoe dat experiment zou aflopen…

Het eerste beetje karate

 

De introductie van het Todi in de openbare scholen van Okinawa blijkt al snel een groot succes te zijn. De jeugd wordt sterker en gezonder dan ooit te voren en in Japan geraakt men overtuigd van het nut van deze ‘nieuwe’ krijgskunst. Het Japanse ministerie voor onderwijs en het ministerie van defensie laten tussen 1922 en 1933 8 verschillende meesters uit Okinawa overkomen om hun vechtstijl in Japan te onderwijzen.

 

Hoewel de ministeries van onderwijs en defensie toekomst zien in het Todi, zijn de japanners zelf nog niet overtuigd. Het Todi staat in de schaduw van de Japanse krijgskunsten die voortkomen uit de samoerai-traditie. Kendo (zwaardvechten), Ji-jutsu, Judo, worden door de japanners als beter gezien dan het brute Tode van die kleine, harige mannetjes uit Okinawa. Daarnaast was het Todi niet goed georganisseerd; er bestond geen vast curriculum en er bestond enorm veel vijandigheid tussen de verschillende lesgevers. Ook was er geen vast uniform, geen manier waarop het niveau van beoefenaars aangetoond kon worden en bestond er geen competitie.

 

De Dai Nippon Butoku Kai, dé organisatie die de Japanse krijgskunsten moest beschermen en verspreiden, boog zich over de kwestie. Zij kondigden aan dat zij een delegatie van Senseis en Shihans naar Okinawa zouden sturen om de zaak te onderzoeken. Aan het hoofd van die delegatie stond Shihan Jigoro Kano, de stichter van het Judo. De delegatie verwacht dat de Okinawanen een demonstratie verzorgen waarin al hun stijlen zouden worden gepresenteerd. In 1926 wordt dit aangekondigd en schiet men in Okinawa in actie, maar er is één probleem… Japan is enorm nationalistisch en de naam van de krijgskunst uit Okinawa verwijst naar haar Chinese oorsprong. De naam Todi of Chinese Hand gebruiken is dus écht geen optie. Men kiest er in Okinawa dan ook voor om de naam te omzeilen. In plaats van over Tode te spreken, lanceren ze de namen Naha-Te, Shuri-Te en Tomari-Te, waarmee ze verwijzen naar de geboortestreek van de meesters die de demonstratie zullen verzorgen. Wanneer Jigoro Kano en de delegatie van de Dai Nippon Butoku Kai Okinawa bezoeken, zijn ze onder de indruk. Ze zien potentieel in de krijgskunst die men in Okinawa beoefend en geven toestemming om de stijl in Japan te verspreiden.

 

De naam Todi wordt langzaamaan vervangen door karate-jutsu, wat ‘praktische toepassing van de lege hand’ betekent. Het achtervoegsel jutsu wordt echter niet zo gesmaakt door de japanners en wordt daarom snel vervangen door het achtervoegsel Do, wat meer spiritueel is en ‘weg’ betekent. De verpakking van het karate sloot zo beter aan bij wat de japanners verwachtten, maar ook aan de inhoud moest nog gesleuteld worden.

Het is Shihan Gichin Funakoshi die als eerste zijn karate beter op de Japanse markt weet af te stemmen. Hij doet dat door goed te kijken naar wat Shihan Jigoro Kano, de stichter van het Judo, doet om zijn stijl te populariseren. Shihan Funakoshi begint het uniform van de judoka’s, de gi, te dragen en neemt ook hun systeem van gekleurde banden om een graad aan te geven over. Hij vereenvoudigt zijn karate ook; de cirkelvormige bewegingen die zo typisch zijn aan het karate uit Okinawa, hakt hij in deelbewegingen die veel rechtlijniger zijn. Dit maakte het makkelijker om de bewegingen in een keer aan een grote groep leerlingen aan te leren. Daarnaast splits Funakoshi de karatetraining verder op in Kihon, Kata en Kumite. De samenhang tussen de verschillende onderdelen gaat zo voor beginners verloren, maar Funakoshi gelooft dat dit op een later stadium in het leerproces opgelost kan worden.

 

Om aan het ‘spirituele’ aspect dat de japanners verwachten tegemoet te komen, bestudeerd Funakoshi de Japanse cultuur sterk. Ook hier gaat hij te raden bij Shihan Jigoro Kano en naar zijn voorbeeld schrijft ook Funakoshi een ‘Dojo Eed’ waaraan karateka’s zich dienen te houden. De eerste en belangrijkste regel uit Funakoshi’s dojo eed is “Karate Ni Sente Nashi” – Er is geen eerste aanval in het karate. In 1933 erkennen alle Japanse ‘vechtsportbonden’ het karate als onderdeel van de Japanse cultuur. De praktische kunst van het vechten met de handen wordt zo opgenomen in de traditie van de Samoerai en wordt onderdeel van het Budo. Zo werd het moderne karate geïntroduceerd in Japan, waar het zich verder zou ontwikkelen en waar de verschillende stijlen zouden ontstaan.

Karate vandaag

 

Vandaag de dag is karate een van de populairste vechtsporten in de wereld. Volgens het Japanse Ministerie voor Buitenlandse Zaken beoefenen zo'n 50 miljoen mensen een vorm van karate, maar de Wereld Karate Federatie schat dat dit aantal wel eens dubbel zo groot zou kunnen zijn. Het karate heeft dus een enorm bereik en zou een enorme inpact op de wereld kunnen hebben...

 

Vanaf 2020 wordt het karate ook een Olympische Sport. Hopelijk leidt dit tot een nog groter publiek en een enorme boost voor onze sport!

Daruma

 

De geschiedenis van het karate begint in het zuiden van India aan het begin van de 5e eeuw na Christus. In de streek die toen Madras heette, was de Chadili-clan een van de invloedrijkste famillies. Dit kwam doordat zij met militaire campagnes en geslepen zakendeals heel wat macht, roem en rijkdom verworven hadden. De leden van de Chadili-clan leefden bijgevolg op grote voet en konden zich privileges veroorloven waar heel wat van hun tijdgenoten enkel van konden dromen. De Chadili-clan zette bijvoorbeeld sterk in op het voortbestaan van hun famillie en het beschermen van hun vooraanstaande positie. Daarom lieten zij monikken naar hun paleizen komen om hun kinderen les te geven in wetenschap, filosofie, politiek en economie. De Chadili-clan investeerde daarnaast ook in het opleiden van hun kinderen tot krijgers en dus gaven de oudere mannen van de clan de jongens les in het vechten met staf, zwaard en de blote handen.

 

Het was een luxueus bestaan dat de Chadili-clan leidde, maar niet iedereen was er tevreden mee. De jonge prins Daruma, die in het Indisch Bodhidharma heet en in het Chinees Pu Tai Ta Mo, verveelde zich dood en ergerde zich aan het rijke, maar inhoudloze leven. Hij zocht wanhopig naar een manier om te ontsnappen en geloofde dat monnik worden zijn enige kans op een ander bestaan was. Wanneer zijn vader onverwacht sterft en de hele clan in rep en roer staat, grijpt Daruma zijn kans en ontvlucht hij het paleis van zijn familie. Daruma vermomt zich als monnik, sluit zich aan bij een groep zenboedhisten en begint aan een zwervend bestaan. Jarenlang doolt hij rond in India en schoolt hij zich bij als krijger en monnik, tot hij aan boord van een schip stapt. Daruma laat zo zijn geboortestreek voor goed achter zich en zet koers naar de provincie Guanghzou in China.

Over ons:

 

Ookami Dojo vzw. is een jonge en dynamische karateclub. Met een frisse kijk op een lange traditie zoeken we onze eigen weg binnen de karatewereld.

 

Bij Ookami Dojo vzw. beoefenen we Kyokushin Karate. We trainen op Kihon, Kata, Kumite, Kracht, Conditie en Lenigheid.

Neem contact met ons op:

 

E. info@ookamidojo.be

W. www.ookamidojo.be

T. 0032497205201

 

Ookami Dojo dankt haar sponsors: